Stel je een half glas bier voor dat perfect doormidden is gesneden: 0,5 = de HELFT. De ervaren bestuurder mag maar tot de helft gaan, geen druppel meer.
De 2 van 0,2 lijkt op een zwaan die NEE schudt: de beginner met zijn L-plaatje mag bijna niets. 2 kleine slokjes en het is al te veel.
Steek je HAND op: 5 vingers = 5 jaar op de proef. Vijf jaar lang draag je onzichtbaar het groene 'beginner'-schildje.
Denk aan een trap: de beginner staat op tree 2, de ervaren rijder is 3 treden hoger op tree 5. Ervaring klimt van 2 naar 5.
Stel je BOB voor met een grote 0 op zijn shirt: nul glazen, nul zorgen. Elke druppel is een euro uit je zak.
Denk: '2 = te nieuw'. De beginner is nog 'bijna nul' waard achter het stuur, dus bijna geen druppel: 0,2.
5 jaar ervaring hoort bij 0,5 promille: de twee vijven vallen op hun plek, ervaring en limiet groeien samen.
De limiet is een plafond, geen vrijbrief: onder 0,5 wankelen betekent nog steeds instappen = uitstappen van de politie.
Gele sticker = geel stoplicht: geel op het doosje betekent stoppen met rijden, niet doorrijden.
Een microslaap van 4 seconden bij 100 km/u = ruim 100 meter blind rijden: je auto legt een voetbalveld af terwijl jij 'even' de ogen dicht hebt.
Koffie plakt geen slaap weg: het is een pleister op vermoeidheid, alleen slaap laadt de accu echt op.
Zie een reuzenzwaan (5) die op een leeg bord (0) drijft in de gracht: 50 door de stad. De zwaan sist naar iedereen die harder wil: 'Rustig, dit is de kom!'
Buiten de stad staat een dikke koe met een 8 op haar buik (twee ronde vlekken) naast een rond hooibaal-nul: 80 langs de weilanden. 'Boe-tenaf tachtig!' loeit ze.
Autowég = één auto op een rood bord, en één auto rijdt honderd: 1 met twee wielen erachter = 100. Onthoud: rode auto, ronde honderd.
Op de snelweg slaapt de 130 overdag uit: als de zon schijnt (6-19u) mag je maar 100, pas als de maan opkomt spring je naar 130. Zon = honderd, maan = meer.
Loop de trap op: stad 5, koeien 8, auto 10, snelweg 13 — plak er een 0 aan en je hebt 50-80-100-130. Elke stap naar buiten wordt de weg breder en het getal groter.
Stel je voor dat er tussen jou en de voorganger twee dikke tellende krokodillen op de weg liggen: '21-krokodil, 22-krokodil'. Zijn ze geplet, dan reed je veel te kort!
Denk aan een estafette: eerst rent je BREIN met het stokje (reactieafstand), dan pakt de REM het over (remweg). Twee lopers achter elkaar = de totale stopafstand.
Snelheid verdubbelt, remweg verKWADRAAT: 2 wordt 4! Zie een elastiek dat je dubbel zo hard uitrekt en het schiet vier keer zo ver weg.
Stel je voor dat je remt op een badkamervloer vol zeep: je banden GLIJDEN door en je schuift veel verder door. Nat = zeepglijbaan = langere remweg.
Regel: hoe slechter het weer, hoe meer krokodillen erbij. Bij regen leg je een DERDE tellende krokodil op de weg: '21, 22, 23' — extra ruimte redt je bumper.
VOOR = Ver kijken: je tuurt door een muur van mist en pas als je twee voetbalvelden (2 x 100 m = 200 m) niet meer ziet, klik je het mistvoorlicht aan. 'Voor bij tweehonderd!'
ACHTER = Rood en dichtbij: het felle rode mistachterlicht is zo verblindend dat je het pas AAN mag als mist of sneeuw je zicht beperkt tot minder dan 50 meter (een half voetbalveld). 'Achter bij vijftig!'
Rijm-truc: 'Voor is Ver (200), Achter is dichtbij (50).' De grootste afstand kijkt naar VOREN, het kleine getal blijft ACHTER — net als een kind dat achterblijft, klein en dichtbij.
Zodra de maan opkomt en het donker wordt, doe je de 'dim'-schakelaar om: dimlicht is je nachtbril. Stadslicht alleen is als autorijden met een zonnebril in het pikkedonker — veel te weinig licht.
Beeld: een reuze-mistwolk slokt eerst twee hele voetbalvelden op (200 m) → mistvoorlicht aan. Wordt het nog dikker en verdwijnt zelfs een half veld (50 m) → nu ook het rode mistachterlicht aan.
Denk aan een gang in een bibliotheek: je loopt rechts, gebruikt het midden alleen om iemand voorbij te gaan en schuift meteen weer rechts. RECHTS = je vaste plek, LINKS = alleen passeren.
Linkerhand = Langs. Beide beginnen met een L: je gaat er LANGS aan de LINKERkant. Zie je het einde van de inhaalactie niet, dan blijf je gewoon achter.
'File = Filerij, dan mag rechts erbij.' Alleen als het vastloopt en de stroken kruipen, mag rechts sneller. Vrije baan? Dan blijft rechts inhalen taboe.
De 'ZEBRA-SPOOR-BOCHT' stopregel: op strepen (zebra), op rails (overweg) en in het blinde (bocht/heuvel) blijft je stuur recht — niet inhalen.
'Hij naar links, jij erlangs rechts.' De afslaander maakt links vrij, dus jij glipt er logisch rechts voorbij — spiegelbeeld van elkaar.
Wees een 'nette gastheer': als iemand langs jou wil, doe je een stapje opzij (naar rechts) en geef je geen gas. Gas geven bij inhalen = onbeleefd én verboden.
Rood = stoplicht van je moeder: rond en rood betekent 'RONDUIT verboden!'. De rode ring is een handboei die om je pols klikt zodra je iets wilt doen wat niet mag.
Blauw = de blauwe lucht waar een engel je bij de hand pakt en zegt: 'jij MOET deze kant op'. Rond blauw = braaf gebod, geen keuze.
Een driehoek met de punt omhoog is een uitroepteken zonder stip: 'Let op!'. De drie scherpe hoeken prikken in je aandacht: gevaar komt eraan.
Een gele diamant is jouw koninklijke kroonjuweel: zolang die glimt, ben jij de koning van de weg en buigt iedereen voor jou. Geel = goud = voorrang.
De punt wijst naar de grond: hij duwt jouw gaspedaal naar beneden en zegt 'rustig, laat de ander eerst'. Punt omlaag = jij omlaag in rang = voorrang verlenen.
Acht hoeken = de acht armen van een octopus die je auto vastgrijpen tot je 100% stilstaat. Achthoek heeft 'acht' in zich: acht tellen stilstaan!
Stel je een brug voor die het koud heeft van ONDER en BOVEN — daarom trekt hij als eerste een ijsjas aan. De weg op de grond heeft de warme aarde als deken; de brug hangt in de lucht en rilt het eerst.
Hoe harder je gaat, hoe meer je auto een SURFPLANK wordt: de banden kunnen het water niet meer wegduwen en je surft stuurloos verder. Gas eraf = plank zakt terug in de zee en grijpt weer.
Tel de nullen als voetbalvelden: bij 200 m (twee-honderd) mag de VOORlamp aan, maar de felle ACHTERlamp is zo verblindend dat je 'm pas mag als de mist je bijna opslokt — 50 m, een halve nul minder. Voor = ver (200), Achter = akelig dichtbij (50).
Op de open weg is de wind een onzichtbare REUS die tegen je auto duwt — maar achter een passerende vrachtwagen valt hij even weg, en zodra je erlangs bent geeft hij je een KLAP terug. Grijp het stuur als een stuurman in de storm.
Zet je grote licht aan in de mist en je bouwt een WITTE MUUR pal voor je neus — het licht kaatst terug en je ziet nog minder. Dimlicht = door de mist prikken; groot licht = tegen de muur botsen.
Denk: 'Tunnel = tunnelvisie, dus laat je zien.' Zodra het donker wordt bij de ingang klik je je dimlicht aan alsof je een zaklamp aandoet in een grot, en je houdt twee tellen lucht tussen jou en de auto voor je.
Beeld je in: 'Sleutel in het slot, groen naar buiten.' Je laat de sleutel achter zodat de hulpdiensten je auto kunnen wegrijden, en de groene lampjes trekken je als een uitgangsbordje in de bioscoop naar de veilige deur.
Denk aan 'twee handen aan het roer' als een zeiler in de storm: hoe harder de vlaag, hoe steviger je grip en hoe zachter je gaspedaal. Minder gas = minder speelbal van de wind.
Onthoud: 'Achter de boom is het rustig, na de boom slaat de wind toe.' Elke keer dat je uit de luwte van een bosje, viaduct of hoge vrachtwagen schiet, wapen je je stuur voor die onzichtbare duw.
Zie het als een 'wind-sandwich': naast de vrachtwagen is het even stil, maar zodra je z'n neus voorbij bent geeft de wind je een klap. Verwacht de tik en corrigeer, dan slinger je niet de andere baan op.
Onthoud '3 W's: Wandeltempo, Water testen, Wegrollen.' Door plassen kruip je op wandelsnelheid, daarna droog je je remmen met een lichte tik, en als je gaat 'surfen' (aquaplaning) laat je gewoon het gas los en houd je het stuur recht.
Duw een lucifer in het profiel: blijft er nog maar een LUCIFERKOPJE over, dan zit je op 1,6 mm — de grens! Zeg 'één-zes, anders kettingbotsing en pech en stress'.
Vier wielen, vier jaar! Elke band 'wacht' één jaar; als alle 4 de banden hun jaartje af hebben, mag de auto voor het eerst naar de APK-dokter.
Filmpje in je hoofd: een auto met 4 kaarsjes op de motorkap (4 jaar → APK) rijdt op banden zo dun als een lucifermatje (1,6 mm). '1,6 en 4' = APK-check klaar!
Zonder deze 3 kaarten mag je de weg niet op: JIJ (rijbewijs), je AUTO (kenteken) en je NAAM (ID). Stop ze samen in je zak — anders zwaait de agent met een boete.
Diesel is 'sneller vies', dus 1 jaar eerder: 3 jaar voor diesel, 4 jaar voor benzine. Onthoud de trap 3-4: Diesel Drie, Benzine Bier (vier).
Denk aan '1-komma-6': een lucifer past precies met de kop naar beneden in een gladde groef. Zie je de hele kop, dan is je band te glad.
Loop een 'rondje om de auto' met de knipperlichten en remlicht aan: vraag iemand mee te kijken of gebruik een muur of etalageruit als spiegel. Rondje = alles gezien.
Ezelsbrug 'O-K-R-R': Olie, Koelvloeistof, Ruitensproeier, Remvloeistof — vier dopjes onder de motorkap die je 'OK-eert' voor je rijdt.
Driehoek = 3 hoeken → 30 meter, overal hetzelfde: in de stad én op de snelweg, altijd áchter je auto. Knipperen je alarmlichten al? Dan mag de driehoek in de kofferbak blijven.
Denk 'alarm = alarmeren, niet parkeren': de knipperlichten roepen 'let op, gevaar!' — niet 'ik sta hier even omdat het mij uitkomt'.
Beeld: alarmlichten zijn 'allebei tegelijk', dus je kunt niet meer apart links of rechts 'praten'. Wil je iets zéggen met je pijl? Eerst de alarm uit.
RECHTS is RIDDER: de auto van rechts draagt een gouden kroon, dus jij buigt en remt. Rijmpje: 'Rechts gaat, links wacht!'
De tram is de KONING die de rechts-regel negeert: veel te zwaar om te stoppen, dus zelfs van links dendert hij door. Buig voor de tramkoning!
De rotonde is een DRAAIMOLEN: wie al draait, blijft draaien — jij mag pas op de carrousel springen als er een gaatje valt.
In de KOM is de bus de baas: knippert hij bij de halte, dan sta jij STOM stil. 'Bus uit de KOM? Jij remt prompt!' (buiten de kom níet!)
Zie je borden, HAAIENTANDEN (▽▽▽) of lichten? Dan is de rechts-regel UIT. Pas als de kruising helemaal kaal is, hapt rechts als eerste toe.
Zie het zebrapad als de oversteek van een echte zebra: zodra hij zijn poot op de witte streep zet, sta jij stil. Staat hij nog in de verte te grazen? Dan rijd je rustig door.
Onthoud 'de bus is de baas in de bebouwde kom': binnen de kom laat je hem gaan, buiten de kom niet. BUS en Bebouwde kom beginnen allebei met een B.
Blauw zwaailicht EN sirene = beide aan, jij aan de kant. Zwaailicht alleen (bijvoorbeeld een sleepwagen die geel zwaait) geeft geen voorrang; het duo blauw+geluid is de baas.
Rood knippert = trein tikt op de deur. Twee rode ogen die knipperen zijn de trein die 'ik kom eraan' seint; wacht tot ze allebei slapen en de boom naar de hemel wijst.
Het Andreaskruis (schuine X) betekent 'kruis alleen na kijken'. Geen bomen, geen lichten = jij bent zelf de slagboom: kijk links, kijk rechts, en de trein wint altijd.
Denk 'nooit vastzitten op het spoor': ga pas de rails op als de overkant vrij is. Een auto die stilstaat op de rails is een blik tegen een aanstormende trein.
Stel je voor: tussen jouw auto en de fietser past een liggende deur van 1,5 meter. Raakt de deur de fietser? Dan zat je te dicht — 'anderhalf, of hij valt in de gracht!'
De grote vrachtwagen draait rechtsaf en 'vergeet' de fietser in zijn dode hoek — de klassieke moordenaar. Draai je hoofd als een uil naar rechts: hoofd draaien of leven sparen!
De witte stok is een toverstaf: zodra hij verschijnt, stopt al het verkeer als bevroren. Wit = wachten, altijd.
Achter elke stilstaande bus zit een onzichtbaar kind klaar om als een raket de weg op te schieten. Bus = rem-reflex.
Rijd door een schoolzone alsof de straat vol kuikentjes ligt: één verkeerde beweging en 'piep' — dus stapvoets en scannen.
Achteruit rijden = achterstevoren de wereld in: je hebt geen ogen in je rug, dus je buigt voor iedereen. Rijd je achteruit, dan ben je de nederigste van de weg.
De dode hoek is een onzichtbare motorrijder die precies daar hangt waar je spiegel niet komt. Draai je hoofd, of hij 'sterft' tegen je portier — vandaar 'dode' hoek.
De invoegstrook is een aanloop voor de verspringende atleet: eerst rennen tot je even snel bent, dán pas springen tussen het verkeer. Wie te traag springt, valt in de zandbak.
Je stond stil, dus jij bent de nieuwkomer op het feest: eerst netjes wachten tot iedereen voorbij is, pas dan mag jij de dansvloer (rijbaan) op. Nieuwkomer = laatste in de rij.
Spiegel-Pijl-Schouder-Stuur: vier S'en als vier veiligheidssloten die je één voor één opent. Sla je er één over, klapt de deur op de dode hoek dicht.
Denk: 'Achteruit = ogen dicht voor voorrang.' Wie achteruit rijdt, rijdt blind, dus die wacht altijd op iedereen.
Spiegel liegt, schouder niet. De dode hoek is precies waar de fietser zit die je spiegel niet ziet.
Onthoud 'Spiegel-Richting-Schouder', de S-R-S-volgorde: eerst kijken en zeggen, dan pas doen.
Jij bent de gast op het feest. De gastheer (doorgaand verkeer) blijft, jij past je aan en glipt tussen de mensen door.
De invoegstrook is een aanloop, geen wachtkamer. Neem eerst snelheid, dan spring je soepel op de rijdende trein.
Wringen mag niet, ritsen wel. Jij vraagt om een plekje, je eist het niet, dus wie geen gat geeft laat je gaan.
Stel je een luie kat voor die bij 2000 toeren gaapt: zodra de naald daar komt, schakelt hij lui een versnelling omhoog. Laag toeren = lage brandstof.
Rij alsof je een verrekijker op je neus hebt: hoe verder je kijkt, hoe zachter je voeten worden op gas en rem.
Voet van het gas maar in versnelling = de brandstofkraan gaat dicht. Uitrollen in de vrij (koppeling in) laat de kraan juist openstaan.
Denk aan de eerste van de maand als 'bandendag': slappe banden zijn als hardlopen op zand, ze kosten extra kracht en dus extra brandstof.
Een draaiende motor bij stilstand is als een kraan die openstaat terwijl je niet afwast: puur verspilling. Lang wachten? Sleutel om.
Zie een lege dakdrager als een open parachute op je dak: hij vangt wind en trekt brandstof uit je tank. Weg ermee.
Zie de vluchtstrook als een ziekenhuisgang: gereserveerd voor de ambulance en de auto met pech, nooit een sluiproute voor wie haast heeft.
Het langere woord krijgt het hogere getal: autoSNELweg = 60, autoweg = 50. Sneller woord, snellere drempel.
Een rood kruis is als een fout antwoord dat wordt doorgestreept: die strook is 'weggekruist', dus wissel eruit.
Groene pijl = groen licht om door te gaan; de schuine knipperpijl 'duwt' je vriendelijk naar de kant die hij aanwijst.
Zeg hardop 'eenentwintig, tweeentwintig' zodra de voorganger een streepje passeert; ben je er eerder dan je klaar bent, dan zit je te dicht.
Het oplichtende getal met rode rand is geen advies maar een muur van wet: rode ring = nu gehoorzamen, gevaar verderop.
Rijtheorie Hub oefent precies zoals het CBR-examen: 50 vragen, 30 minuten, geslaagd vanaf 44. Gratis te proberen, in 12 talen.
Download gratis