21 verkeerssituaties uit de app, gratis en zonder account. Bij 16 ervan kies je wat je doet: remmen, gas loslaten of niets doen; de andere gaan over wat je in zo'n situatie verwacht. Daarna zie je het goede antwoord en waarom. De app heeft 329 vragen met remmen, gas loslaten of niets doen.
Bij gevaarherkenning zie je op het CBR-examen een verkeerssituatie vanuit de auto en kies je: remmen, gas loslaten of niets doen.
Sinds de vernieuwing van het examen zijn dit bewegende beelden in plaats van foto's. Het examen is één doorlopend blok van 50 vragen, waarin gevaarherkenning, kennis en inzicht elkaar afwisselen; je slaagt met 44 goed. Hier zie je elke situatie als 3D-beeld. Situaties in beweging zie je in de voorrang-quiz met animaties en in de 19 geanimeerde voorrangslessen in de app.
21 situaties: wat doe je?
Score: 0 van 0
1. Het verkeerslicht is net op groen gesprongen. Een voetganger is nog bezig vlak voor je over te steken. Wat doe je?
Uitleg: Groen betekent doorgaan (art. 68 lid 1 onder a RVV 1990), maar niet ten koste van een voetganger die nog op de rijbaan is. Je moet altijd kunnen stoppen binnen de afstand die vrij is (art. 19): remmen en de voetganger laten oversteken. Bron: RVV 1990 art. 19; art. 68 lid 1 onder a
2. Je nadert dit kruispunt en het verkeerslicht voor jou staat op rood. Het kruispunt is helemaal leeg. Wat doe je?
Uitleg: Rood licht betekent stop (art. 68 lid 1 onder c RVV 1990) en je stopt voor de stopstreep (art. 79). Dat het kruispunt leeg is, doet er niet toe: remmen en wachten op groen. Bron: RVV 1990 art. 68 lid 1 onder c; art. 79
3. Je rijdt langs een rij geparkeerde auto's in een woonstraat. De voorste auto heeft zijn linkerknipperlicht aan, de voorwielen staan al naar buiten gedraaid en er zit iemand achter het stuur. Wat doe je?
Uitleg: Drie signalen samen zeggen dat hij gaat wegrijden. Hij moet jou als bijzondere manoeuvre volgens artikel 54 voor laten gaan, maar reken er niet op: neem gas terug en houd zijwaartse ruimte zodat je nog kunt reageren. Bron: RVV 1990 art. 54
4. Buiten de bebouwde kom springt in de schemering een ree de weg op, met een tweede dier vlak achter zich in de berm. Wat doe je?
Uitleg: Reeën trekken in groepjes: waar één oversteekt, volgt bijna altijd een tweede. Het dier staat al binnen je stopafstand, dus je remt recht vooruit en houdt het stuur vast; uitwijken naar de andere weghelft is gevaarlijker. Bron: RVV 1990 art. 19
5. Het regent en het wegdek is nat, maar bij 10°C is er geen kans op ijzel. Je rijdt al met een aangepaste snelheid en houdt ruime afstand; op de stoep lopen twee voetgangers rustig te praten, ver van de rand, en de weg vóór je is vrij. Wat doe je?
Uitleg: Nat wegdek is niet hetzelfde als glad ijs, en de voetgangers blijven duidelijk op de stoep. Je snelheid en afstand zijn al aangepast en er is geen concreet gevaar: onnodig remmen kan juist een kop-staartbotsing veroorzaken. Rijd rustig door. Bron: RVV 1990
6. Door dichte mist zie je nog maar zo'n 40 meter ver. Plotseling doemen vlak vóór je de rode achterlichten op van een langzaam rijdende auto. Wat doe je?
Uitleg: Je moet kunnen stoppen binnen de afstand die je kunt overzien (art. 19 RVV 1990). De auto is dichtbij en langzaam: gas loslaten alleen is te weinig, rem om je snelheid en afstand veilig te maken. Bron: RVV 1990
7. De remlichten van je voorligger gaan plotseling aan. Wat doe je?
Uitleg: De voorligger stopt onverwacht; rem direct om binnen je volgafstand te kunnen stoppen en een kop-staartbotsing te voorkomen (art. 19 RVV). Bron: RVV 1990 art. 19 — plotseling remmende voorligger
8. Je rijdt 30 km/u door een straat in de stad. Een eind vóór je staat een lijnbus bij de halte en zet zijn richtingaanwijzer aan om weg te rijden. Wat doe je?
Uitleg: Binnen de bebouwde kom geef je een lijnbus die richting aangeeft de gelegenheid om van de halte weg te rijden (RVV 1990 art. 56). Door gas los te laten maak je ruimte zonder onnodig hard te remmen; niets doen zou de bus hinderen. Bron: RVV 1990 art. 56
9. Wat doe je in deze situatie?
Uitleg: Achter een bal komt vaak een kind aangerend dat je niet kunt zien; rem direct zodat je kunt stoppen voor een kind dat de weg op rent. Bron: RVV 1990 art. 19 (anticiperen)
10. Op een buitenweg rent een loslopende hond vanaf de berm de rijbaan op, een paar autolengtes voor je. Wat doe je?
Uitleg: Het dier is al binnen je stopafstand en achter een loslopende hond komt vaak een kind of baasje aan. Remmen en het stuur recht houden; uitwijken naar de andere weghelft brengt je in het tegemoetkomende verkeer. Bron: RVV 1990 art. 19
11. Je gaat een stadsbocht in waar natte tramrails schuin je rijstrook kruisen. Wat doe je vóór de bocht?
Uitleg: Natte tramrails zijn spekglad, zeker in een bocht. Rem vóór de bocht af zodat je er rustig en rechtstandig overheen kunt. Bron: Gevaarherkenning - natte tramrails in bocht
12. Je nadert een onbewaakte spoorwegovergang en ziet of hoort geen trein. Wat doe je?
Uitleg: Bij een onbewaakte overweg vertrouw je niet blind op stilte; laat gas los en wees klaar om te stoppen tot je zeker weet dat er geen trein komt. Bron: Gevaarherkenning - onbewaakte overweg
13. Je rijdt in dichte mist op een buitenweg. Plotseling doemen vlak vóór je de achterlichten van een auto op. Wat doe je?
Uitleg: In mist zie je een voorligger pas laat; als hij vlak vóór je opduikt, ben je te dichtbij om met alleen gas loslaten veilig afstand te krijgen. Rem en herstel je volgafstand (art. 19). Bron: RVV 1990 art. 19
14. 's Nachts in de bebouwde kom nader je met 50 km/u een zebrapad. Op de stoep rechts loopt een voetganger langs het zebrapad; hij maakt nog geen aanstalten om over te steken. Wat doe je?
Uitleg: De voetganger loopt nog op de stoep, maar kan elk moment het zebrapad opstappen; dan moet je hem voor laten gaan (art. 49 lid 2). Gas loslaten en remklaar zijn geeft je de tijd om te stoppen (art. 19); remmen is pas nodig zodra hij oversteekt, en niets doen is in het donker te laat. Bron: RVV 1990 art. 49 lid 2; art. 19
15. Je rijdt 100 km/u op de rechterrijstrook. Een auto op de invoegstrook trekt snel op en stuurt naar jouw strook; links naast je rijdt verkeer. Wat doe je?
Uitleg: Door gas los te laten maak je soepel ruimte voor het invoegende verkeer zonder de auto links van je te verrassen; hard remmen is gevaarlijk en niets doen kan tot een aanrijding leiden. Bron: CBR gevaarherkenning / RVV 1990 art. 54 (invoegend verkeer verleent voorrang)
16. Je rijdt 100 km/u op de rechterrijstrook. Op de vluchtstrook vlak vóór je staat een auto met pech; iemand stapt net uit aan de rijbaanzijde. Wat doe je?
Uitleg: Laat het gas los en houd afstand van de vluchtstrook, want de persoon kan onverwacht de rijbaan op stappen. Als er ruimte is, wijk je iets naar links; hard remmen is bij dit tempo nog niet nodig, maar alert vaart minderen wel. Bron: CBR gevaarherkenning; naderen stilstaand voertuig op de vluchtstrook
17. Het kind heeft de bal opgepakt en staat nu stil op de stoep, terwijl het jouw kant op kijkt. Mag je aannemen dat het blijft staan en gewoon op 30 doorrijden?
Uitleg: Kinderen zijn onvoorspelbaar en kunnen alsnog plots de weg op stappen. Blijf voorzichtig, minder eventueel snelheid en houd het kind in de gaten (art. 19 RVV 1990). Bron: RVV 1990 art. 19
18. Wat is in deze situatie de veiligste rijstijl?
Uitleg: Tussen geparkeerde auto's kunnen kinderen plotseling oversteken; door langzamer te rijden en afstand te houden zie je hen eerder en kun je op tijd stoppen (art. 19 RVV). Bron: RVV 1990 Art. 19 (anticiperen, snelheid aanpassen)
19. Welke waarneming waarschuwt je het duidelijkst dat er zo een kind kan oversteken?
Uitleg: Een bal die de rijbaan op rolt is een klassiek voorspellend signaal: er kan direct een kind achteraan komen dat je nog niet ziet. De andere waarnemingen wijzen niet specifiek op een overstekend kind. Bron: RVV 1990 Art. 19 (waarschuwingssignalen herkennen)
20. Je passeert geparkeerde auto's waar iemand net is ingestapt. Wat doe je?
Uitleg: Iemand die net is ingestapt kan het portier nog openen; houd extra zijruimte en pas je snelheid aan zodat je niet tegen het portier rijdt (art. 5 RVV). Bron: RVV 1990 Art. 5 (openslaand portier)
21. Het is nacht. Je rijdt 50 km/u door een verlichte straat en ziet rechts op de stoep een voetganger in donkere kleding vlak langs de stoeprand lopen. Waarom vraagt deze voetganger 's nachts extra aandacht?
Uitleg: In het donker zie je een voetganger in donkere kleding pas laat, terwijl je nog steeds moet kunnen stoppen binnen de afstand die je overziet (RVV 1990 art. 19). Voetgangers krijgen 's nachts geen extra voorrang, en groot licht is bij het tegenkomen van andere weggebruikers juist verboden (art. 32 lid 2). Bron: RVV 1990 art. 19; RVV 1990 art. 32