Home › Theoriegids › Verlichting: dimlicht, grootlicht, mistlampen, alarmlichten en tunnels
Verlichting: dimlicht, grootlicht, mistlampen, alarmlichten en tunnels
Dimlicht: het standaard rijlicht in het donker en bij slecht zicht
Dimlicht is je standaardlicht: 's nachts en altijd bij slecht zicht.
- Verplicht 's nachts en bij slecht zicht overdag
- Nodig bij mist, regen, sneeuw of donkere lucht
- Schijnt kort en laag, verblindt anderen niet
- Ook in de bebouwde kom bijna altijd aan
- Positie-, achter- en kentekenlicht gaan automatisch mee
- Bij twijfel: liever te vroeg dan te laat
Let op: uitzonderingen en valkuilen
- Alleen dagrijverlichting is 's nachts en bij mist NIET genoeg: dagrijlicht brandt vaak alleen voorop en laat je achterlichten uit, waardoor je van achteren onzichtbaar bent. Schakel altijd bewust naar dimlicht.
- Amsterdamse valkuil: door de vele straatverlichting, verlichte etalages en trams lijkt het lichter dan het is. Fietsers zonder licht in donkere straten en langs de grachten zie je pas laat; rijd daarom in de stad standaard op dimlicht, ook overdag bij regen.
- Veel moderne auto's hebben een automaat-stand (AUTO) voor de verlichting. Die schakelt niet altijd op tijd naar dimlicht in tunnels of onder viaducten; controleer zelf of je achterlichten branden.
- Een beslagen of vuile koplamp geeft veel minder licht; maak in de winter je lampen schoon en controleer of beide dimlichten werken (een kapotte lamp is een boete en een gevaar).
- Bij schemer en 'grijs' weer overdag ben je wettelijk verplicht licht te voeren zodra je zicht 'ernstig belemmerd' is; wacht niet tot het volledig donker is.
Grootlicht: veel zicht op donkere wegen, maar direct dimmen bij anderen
Gebruik grootlicht op donkere wegen, maar dim meteen voor elke ander.
- Alleen op donkere wegen zonder verkeer
- Direct dimmen voor tegenliggers en voorliggers dichtbij
- Dimmen bij fietsers, voetgangers, ruiters en overwegen
- Ook dimmen als je stilstaat
- In de bebouwde kom heeft grootlicht geen nut
- Blauw dashboardlampje betekent: grootlicht staat aan
Let op: uitzonderingen en valkuilen
- Meest gemaakte fout: vergeten te dimmen voor een tegenligger. Dim ruim op tijd, niet pas als hij vlakbij is; een verblinde tegenligger kan jou (of een fietser) niet meer zien.
- Ook voor een voorligger die je inhaalt of dicht nadert moet je dimmen, niet alleen voor tegenliggers. Veel leerlingen vergeten dit.
- In Amsterdam heb je grootlicht vrijwel nooit nodig: de hele stad en de ringweg A10 zijn verlicht. Gebruik het hooguit op een enkele donkere weg in de polder rond de stad.
- Automatisch grootlicht (matrix-/assist-systemen) dimt niet altijd voor fietsers zonder licht of voor een verre tegenligger; blijf zelf opletten en dim handmatig als het nodig is.
- Grootlicht bij mist maakt het zicht juist slechter: het licht weerkaatst op de mistdruppels als een witte muur. Gebruik dan dimlicht of mistlampen, nooit grootlicht.
- Een lichtsignaal (knipperen met grootlicht) heeft geen wettelijke betekenis van 'ga jij maar'; interpreteer het niet als voorrang die je niet hebt.
Mistlampen: voor alleen bij ernstig belemmerd zicht (vuistregel onder 200 m), achter alleen onder 50 meter
Mistlamp voor alleen als mist, sneeuw of regen het zicht ernstig belemmert (vuistregel: onder 200 m; de wet noemt geen afstand), achter alleen onder 50 meter.
- Voormistlampen alleen bij ernstig belemmerd zicht (vuistregel < 200 m)
- Achtermistlicht alleen bij zicht onder 50 meter
- Achtermistlicht niet bij gewone regen of duisternis
- Te fel: verblindt achterliggers en verbergt remlicht
- Direct uitzetten zodra het zicht verbetert
- Groen symbool = voor, oranje symbool = achter
Let op: uitzonderingen en valkuilen
- Klassieke fout en boete: mistachterlicht aanlaten bij gewone regen of 's avonds zonder mist. Dat mag niet en verblindt het verkeer achter je; zet het pas aan onder 50 meter zicht en meteen weer uit als het optrekt.
- Mistlampen voor blijven na een mistige ochtend vaak per ongeluk aan staan; bij helder weer verblinden ze tegenliggers. Controleer je controlelampjes voordat je wegrijdt.
- In en rond Amsterdam is dichte mist relatief zeldzaam, maar boven het IJ, langs de grachten en op de polderwegen buiten de ring kan het plaatselijk plots dichtslaan; pas dan je verlichting per situatie aan.
- Mistlampen zijn geen 'stoere' sfeerverlichting: ze bij droog, helder weer voeren is verboden en levert een boete op.
- In stad-en-file-situaties met alleen regen: gebruik dimlicht, niet je mistachterlicht. Bij een file kun je wel kort je alarmlichten gebruiken (zie de sectie hierover).
- Sommige auto's hebben alleen een mistachterlicht en geen mistlampen voor; weet welke knop wat doet, want per ongeluk het achterlicht aanzetten gebeurt vaak.
Dagrijverlichting, stadslicht en parkeerlicht: waar ze wel en niet voor zijn
Dagrijverlichting maakt je overdag zichtbaar, maar vervangt nooit dimlicht.
- Dagrijverlichting verplicht vanaf 2011, gaat automatisch aan
- Verlicht de weg niet en laat achterlicht uit
- Stadslicht toont breedte, alleen voor stilstaand voertuig
- Rijden op stadslicht alleen is verboden en gevaarlijk
- Parkeerlicht alleen waar een auto zichtbaar moet blijven
- Bij donker of slecht zicht bewust naar dimlicht
Let op: uitzonderingen en valkuilen
- De grootste misvatting: 'mijn lichten staan toch aan?' Dat is vaak alleen dagrijlicht vóór; je achterlichten zijn dan uit. In een tunnel, bij regen en in de schemering ben je zo van achteren onzichtbaar. Schakel handmatig naar dimlicht.
- Auto's van vóór 2011 hebben geen verplichte dagrijverlichting; daar moet je overdag bij slecht zicht zelf je dimlicht aanzetten.
- Parkeren in de bebouwde kom: op een verlichte weg hoeft een geparkeerde auto meestal geen licht te voeren. Laat het parkeerlicht niet nodeloos aan, want dat kost je accu.
- Buiten de bebouwde kom of op een onverlichte weg kan een geparkeerd voertuig wél verplicht zijn om parkeer- of stadslicht te voeren zodat anderen het zien.
- AUTO-lichtstand + dagrijlicht is een berucht duo: de auto lijkt 'aan' maar schakelt niet altijd naar volledig dimlicht in donkere overkappingen. Controleer je dashboard: brandt het groene dimlicht-symbool?
Alarmlichten: waarschuwen bij file, pech en gevaar
Alarmlichten waarschuwen voor gevaar, maar geven je geen extra rechten.
- Rode driehoeksknop laat alle richtingaanwijzers knipperen
- Bij file: kort aan om achterliggers te waarschuwen
- Bij pech: aan zolang de auto gevaarlijk staat
- Verstandig: zet een gevarendriehoek neer (niet verplicht als je alarmlichten knipperen) en trek buiten de bebouwde kom een hesje aan (nooit verplicht)
- Mag ook aan bij het slepen van een voertuig
- Geen excuus om ergens illegaal te stoppen of parkeren
Let op: uitzonderingen en valkuilen
- File-waarschuwing werkt alleen als je ze kort gebruikt: laat ze aan tot het verkeer achter je remt en zet ze dan weer uit, anders denkt men dat je stilstaat.
- Fout die veel mensen maken: alarmlichten aanzetten om 'even snel' dubbel te parkeren of te laden en lossen op een verboden plek. Dat is geen geldig excuus en levert gewoon een bekeuring op — in Amsterdam met zijn strenge handhaving zeker.
- Op de smalle Amsterdamse grachten en in eenrichtingsstraten blokkeer je met dubbel parkeren meteen trams, fietsers en bussen; alarmlichten heffen die overtreding niet op.
- Bij pech op de snelweg/ring: ga achter de vangrail staan, niet in de auto blijven zitten; de alarmlichten waarschuwen, maar beschermen je niet.
- Als je richting wilt aangeven terwijl je alarmlichten aanstaan, werkt dat op veel auto's niet los per kant; zet de alarmlichten uit voordat je wegrijdt en gebruik je normale richtingaanwijzer.
- Rijden mét alarmlichten aan (behalve kort bij een file of bij slepen) is verwarrend voor anderen en niet toegestaan als 'ik mag overal'-signaal.
Tunnels: altijd dimlicht aan en let op de signalering
In tunnels altijd dimlicht aan en volg de signalen boven de rijstrook.
- Dimlicht verplicht, ook overdag en in verlichte tunnels
- Doe je lichten aan vóór je de tunnel inrijdt
- Dagrijverlichting is niet genoeg; achterlicht moet aan
- Groene pijl: strook open; rood kruis: strook dicht
- Houd afstand, volg de snelheid, keer of achteruit niet
- Bij brand: vlucht via nooddeur, laat sleutel in contact
Let op: uitzonderingen en valkuilen
- Meest gemaakte fout: op alleen dagrijlicht een tunnel inrijden, waardoor je achterlichten uit blijven. Zet je dimlicht bewust aan vóór de tunnel.
- Een rood kruis boven je rijstrook is geen advies maar een verbod: verlaat die strook direct en veilig. Een knipperende gele pijl schuin naar beneden betekent dat je naar de aangegeven strook moet uitwijken.
- Bij een AUTO-lichtstand schakelt de auto in een korte, felverlichte tunnel niet altijd naar dimlicht; controleer of het dimlicht echt brandt.
- In een tunnel mag je niet keren, achteruitrijden of stoppen behalve in een pechhaven; bij een file in de tunnel schuif je rustig door en houd je afstand.
- Bij brand of dichte rook: níet in de auto blijven zitten en niet proberen te keren; loop naar de dichtstbijzijnde vluchtdeur (om de circa vijftig meter aangegeven) en laat de motor uit maar de sleutel in het contact.
- Amsterdamse drukte: in de IJtunnel en Piet Heintunnel loopt het in de spits snel vast; ga niet bumperkleven en let op plots remmend verkeer vóór je.
Oefenen? Maak de gratis vragen over bijzondere omstandigheden, met uitleg bij elk antwoord.
Oefen dit met 2.609 vragen en 19 animaties
Rijtheorie Hub oefent precies zoals het CBR-examen: 50 vragen, 30 minuten, geslaagd vanaf 44. Gratis te proberen, in 12 talen.
Download gratis