10 gratis oefenvragen over voorrang voor het CBR theorie-examen auto. Wie gaat er eerst: op gelijkwaardige kruispunten, bij haaientanden en stopborden, op rotondes en bij trams, bussen en voorrangsvoertuigen. Na elk antwoord zie je de uitleg en de bron. In de app zitten 376 vragen over dit onderwerp.
Dit moet je weten
Op een gelijkwaardige kruising zonder borden of tekens gaat rechts altijd voor.
Haaientanden betekenen voorrang verlenen zonder stoppen; een stopbord verplicht volledig stilstaan.
Wie afslaat wacht altijd op rechtdoorgaand en tegemoetkomend verkeer, ook op een voorrangsweg.
Bij een bijzondere manoeuvre of vanaf een uitrit verleen je voorrang aan iedereen, ook van links.
Een voorrangsvoertuig heeft alleen voorrang met blauw zwaailicht EN sirene tegelijk.
Een tram gaat bijna altijd voor, ook van links; bij een overweg heeft de trein altijd voorrang.
1. Op een gelijkwaardig kruispunt wil je linksaf. Van links komt een auto die rechtdoor gaat. Moet je deze auto voor laten gaan omdat jij afslaat?
Uitleg: Nee. De afslaanregel (art. 18 lid 1) gaat over verkeer dat je op dezelfde weg tegemoetkomt of naast dan wel dicht achter je rijdt, niet over verkeer op de kruisende weg. Voor de auto van links geldt gewoon 'rechts gaat voor' (art. 15 lid 1): jij komt voor hem van rechts, dus hij moet jou voor laten gaan. Kijk wel of hij dat ook echt doet. Bron: RVV 1990 art. 15 lid 1; RVV 1990 art. 18 lid 1
2. Gelijkwaardig kruispunt zonder borden. Jij wilt linksaf. Een tegemoetkomende auto gaat rechtdoor en een auto van links gaat ook rechtdoor; jullie komen alle drie tegelijk aan. Mag jij als eerste, omdat de auto van links jou als bestuurder van rechts moet voor laten gaan?
Uitleg: Nee. Jij slaat af en moet de tegemoetkomende auto die rechtdoor gaat voor laten gaan (art. 18 lid 1). Die auto moet op zijn beurt de auto van links voor laten gaan, want die komt voor hem van rechts, en die auto moet jou voor laten gaan (art. 15 lid 1). Zo ontstaat een cirkel waarin niemand voorrang heeft; één bestuurder moet zijn voorrang afstaan en dat duidelijk laten merken. Bron: RVV 1990 art. 18 lid 1; RVV 1990 art. 15 lid 1
3. Gelijkwaardig kruispunt zonder borden. Jij gaat rechtdoor. Tegelijk met jou komen een auto aan je rechterhand, die ook rechtdoor gaat, en de auto tegenover je, die naar links afslaat, bij het kruispunt aan. Wie mag als eerste het kruispunt op?
Uitleg: Jij moet de auto aan je rechterhand voor laten gaan (art. 15 lid 1); die auto moet de auto tegenover jou voor laten gaan, want die komt voor hem van rechts (art. 15 lid 1); en de afslaande auto tegenover jou moet jou als tegemoetkomend rechtdoorgaand verkeer voor laten gaan (art. 18 lid 1). Zo wacht iedereen op iemand: de wet wijst niemand aan, dus één bestuurder moet zijn voorrang afstaan en dat duidelijk laten merken. Bron: RVV 1990 art. 15 lid 1; RVV 1990 art. 18 lid 1
4. Je rijdt op een parkeerterrein achteruit uit je parkeervak. Van rechts nadert over het trottoir een voetganger die achter je langs wil lopen. Moet je deze voetganger voor laten gaan, ook al is hij geen bestuurder?
Uitleg: Ja. Achteruitrijden is een bijzondere manoeuvre en dan moet je het overige verkeer voor laten gaan (art. 54). 'Verkeer' zijn alle weggebruikers (art. 1), dus ook voetgangers. Dat de voetganger geen bestuurder is, maakt hier niets uit. Bron: RVV 1990 art. 54; RVV 1990 art. 1
5. Binnen de bebouwde kom staan aan jouw kant van een smalle straat auto's geparkeerd. Om erlangs te rijden moet je over de andere weghelft. Er komt een tegenligger aan en er staan geen borden. Wat doe je?
Uitleg: Het obstakel staat op jouw weghelft. Je moet zoveel mogelijk rechts houden (art. 3) en mag de tegenligger niet hinderen of in gevaar brengen (WVW art. 5). Zonder borden F5/F6 is er geen formele voorrangsregel, maar in de praktijk wacht degene aan wiens kant het obstakel staat. Wie er het eerst is of richting aangeeft, krijgt daardoor geen voorrang. Bron: WVW 1994 art. 5; RVV 1990 art. 3
6. Je rijdt binnen de bebouwde kom op een rechte straat. Rechts op de stoep staat een voetganger die duidelijk wil oversteken. Er is hier geen zebrapad. Ben je verplicht hem voor te laten gaan?
Uitleg: Nee. De plicht om voetgangers voor te laten gaan die oversteken of kennelijk op het punt staan dat te doen, geldt alleen op een voetgangersoversteekplaats (art. 49 lid 2). Zonder zebrapad heeft de voetganger geen voorrang en moet hij wachten tot de weg vrij is. Je mag hem natuurlijk nooit in gevaar brengen (WVW art. 5), dus blijf opletten. Bron: RVV 1990 art. 49 lid 2; WVW 1994 art. 5
7. Kruispunt met verkeerslichten; jij hebt groen. Vlak voor je rijdt in dezelfde richting een tram, die ook mag doorrijden. Van rechts nadert door rood een ambulance met blauw zwaailicht en sirene. Wie moet de ambulance voor laten gaan?
Uitleg: Weggebruikers moeten een voorrangsvoertuig voor laten gaan (art. 50); dat geldt voor iedereen, dus ook voor de trambestuurder. Groen licht betekent alleen 'doorgaan' (art. 68 lid 1) en geeft geen voorrang op een ambulance met zwaailicht en sirene. De uitzonderingspositie van de tram geldt bij 'rechts gaat voor', niet tegenover een voorrangsvoertuig. Bron: RVV 1990 art. 50; RVV 1990 art. 68 lid 1
8. Gelijkwaardig kruispunt zonder borden. Van links nadert een tram, van rechts een ambulance met blauw zwaailicht en sirene. Wat is de juiste volgorde?
Uitleg: Alle weggebruikers, dus ook de trambestuurder, moeten een voorrangsvoertuig voor laten gaan (art. 50): de ambulance gaat als eerste. Daarna geldt de uitzondering op 'rechts gaat voor': bestuurders verlenen voorrang aan een tram (art. 15 lid 2), ook als die van links komt. Jij gaat dus als laatste. Bron: RVV 1990 art. 50; RVV 1990 art. 15 lid 2
9. Je staat voor een kruispunt met verkeerslichten en wilt linksaf. Je licht wordt groen, zonder aparte pijl. De tegenliggers hebben ook groen en gaan rechtdoor. Wat doe je?
Uitleg: Groen licht betekent alleen 'doorgaan' (art. 68 lid 1) en verandert niets aan de afslaanregel: bestuurders die afslaan, moeten tegemoetkomend verkeer op dezelfde weg voor laten gaan (art. 18 lid 1). Zonder groene pijl voor linksaf hebben de tegenliggers dus ook groen en gaan zij voor. Snelheid minderen van een tegenligger is geen garantie dat hij je voor laat gaan. Bron: RVV 1990 art. 18 lid 1; RVV 1990 art. 68 lid 1
10. Je wilt rechtsaf de inrit van een parkeerterrein oprijden. Daarvoor moet je het fietspad kruisen. Van achteren nadert op dat fietspad een fietser. Wat doe je?
Uitleg: Van een weg een inrit oprijden is een bijzondere manoeuvre: je moet het overige verkeer voor laten gaan (art. 54). Bovendien sla je af en moet je verkeer dat op dezelfde weg rechts dicht achter je rijdt, zoals deze fietser op het fietspad, voor laten gaan (art. 18 lid 1). Richting aangeven of claxonneren geeft geen voorrang. Bron: RVV 1990 art. 54; RVV 1990 art. 18 lid 1
Ezelsbruggetjes bij dit onderwerp
👉🚗🥇🛑Op gelijkwaardige kruisingen hebben bestuurders van rechts voorrang.
RECHTS is RIDDER: de auto van rechts draagt een gouden kroon, dus jij buigt en remt. Rijmpje: 'Rechts gaat, links wacht!'
🚊👑⚡🛑Uitzondering: de tram heeft meestal voorrang, óók als hij van links komt.
De tram is de KONING die de rechts-regel negeert: veel te zwaar om te stoppen, dus zelfs van links dendert hij door. Buig voor de tramkoning!
🔄🚗🥇⏳Op de rotonde heeft het verkeer dat al op de ring rijdt voorrang; jij wacht bij het oprijden.
De rotonde is een DRAAIMOLEN: wie al draait, blijft draaien — jij mag pas op de carrousel springen als er een gaatje valt.
🚌🏙️🖐️🥇Binnen de bebouwde kom moet je een bus die van een halte wegrijdt voor laten gaan.
In de KOM is de bus de baas: knippert hij bij de halte, dan sta jij STOM stil. 'Bus uit de KOM? Jij remt prompt!' (buiten de kom níet!)